kerstening en bouw van de kerk

Het verhaal van Truida

“Mijn vader is er maar druk mee. Hij bakt de stenen, samen met mijn oom en andere mannen die bouwen daar dan weer muren mee. Ze zijn een kerk aan het bouwen. Die stenen maken ze door blokken klei in het vuur bakken. Dat heeft hij van de monniken geleerd die hier best vaak langskomen. Ze gaan overal vertellen over hun God.

Er stond hier al vanaf 1315 een houten kapelletje. Dat hebben de opa en oma van mijn moeder nog gebouwd toen zij ‘christen’ geworden waren. Dat hebben zij ook weer van die monniken geleerd. Dat het beter is om de God van de monniken te aanbidden want dan gaat alles beter. Dan zal de oogst vaker lukken en zullen we minder vaak ziek worden en minder ruzie maken. Die God heeft een hemel en als je doet wat God van je vraagt dan kom je in de hemel als je dood gaat. Als je dat niet doet dan straft die God jou of je broertjes of je vader want dan gaan die ook naar de hel. Dat is een heel groot vuur. Wij zijn nu allemaal christen geworden hier, ook mijn ooms en tantes en al hun kinderen. Wij komen dus wel in de hemel als we allemaal meebouwen aan de kerk, denk ik.”

Zo’n kerk bouwen is een hele klus en duurt ook lang. Mijn broertje zal er straks ook aan mee moeten bouwen als hij sterker is, zegt mijn vader. Het wordt echt een kerk van steen. Niet meer dat kleine kapelletje. Er staat wel een kerk in Buurmalsen maar als het regent en alles modder wordt, als het vriest en sneeuwt, moeten we een heel eind lopen, ook over het ijs. Dat is echt niet leuk en daarom zijn we allemaal blij dat we nu, in 1389, zelf een kerk mogen bouwen. Dat mag van de bisschop van Utrecht. Dat is de baas van die monniken. Heb hem nog nooit gezien maar dat is niet erg.

Er moet door ons nu nog meer geld gespaard worden om hem helemaal af te bouwen en “Wie weet”, zegt mijn vader, “bouwen als ik oma ben, mijn kinderen en die van hen er dan straks een toren aan vast maar dat duurt nog wel even.” Ik ben allang blij dat we een eigen kerk krijgen in Tricht en bij elkaar kunnen komen als er iets te vieren valt of als er iemand dood gaat en wij allemaal moeten bidden.

Het regent de laatste tijd steeds vaker en langer. Soms meer dan een jaar achter elkaar. Het land wordt steeds natter. Je kunt er niet op rekenen want soms denk je dat het beter wordt maar dan wordt het weer een hittegolf en verdort alles. Hopelijk helpt die kerk ons!  Een eindje verderop wonen een paar jongens die vinden die monniken maar niets. Die monniken vragen je, volgens die jongens, steeds om geld of een kip voor God en dat zouden die monniken dan in hun eigen zak steken en bier en wijn van kopen. “Niet naar luisteren”, zei mijn moeder. Gewoon doorlopen!”