de kleine ijstijd

Het verhaal van Mirne, moeder van 6 kinderen

Het is al weken, maanden, wat zeg ik, eigenlijk al jaren heel koud en nat. Alles is nat. Ook in ons houten huisje van riet, takken en boomstammetjes. We zijn al twee keer met mijn ouders en onze zes kinderen gevlucht met alle spullen op de kar naar een betere plek. Maar het blijft alsmaar koud of veel kouder dan normaal.

Wij hebben al maanden honger, want er is bijna niets te eten. De oogsten zijn door het vele water allemaal mislukt. Vooral van het graan waar we brood van bakken, is er echt te weinig. Soms eten mijn man en ik niet. Dan geven we dat kleine beetje dat er wél is aan onze kinderen en aan hun opa en oma. Dat kan zo niet langer duren.

Steeds meer van onze vrienden en buren zijn al vertrokken, op zoek naar gebieden waar het warmer is. Ze zoeken een plek waar de grond goed is om onze groenten op te verbouwen en waar gras genoeg is voor ons paard en onze koe.

De baas van de heuvel waarop wij nu wonen is ene Emond. Hij is de leenheer van Craijensteyn en vraagt elke week om zijn geld. Wij moeten de huur van het land betalen maar hebben geen idee hoe dat moet lukken. Als we geen fruit, geen groenten, geen graan of geen kip kunnen verkopen, waar moeten we dan die pacht van betalen?

Steeds meer boeren in de buurt worden ongerust. Wij eten nu ook het voer van onze twee varkens op. Een zus van mij heeft met haar man het paard geslacht. Dat vonden ze echt heel erg. Er komen nou ook grote brokken ijs mee met de rivier. Die blijven aan elkaar plakken en dat wordt dan een hele grote berg. Dat ijs maakt dan de waterkant kapot en daar staan juist onze twee appelbomen. Iedereen is ontevreden en klaagt steen en been. Iedereen heeft het moeilijk, zelfs de mensen in het sjieke huis van de leenheer. Zijn huis noemen ze het Kasteel van Craijensteyn.

Bij de buren zijn twee meisjes al wekenlang aan het hoesten. Ze zijn mager en zien er slecht uit. Bij een boerderij aan de overkant is een enge ziekte. De moeder en een zoontje zijn al gestorven. Ze hebben allemaal ‘de builenziekte’, zei die vader.

Eigenlijk is het hier nog nooit zo druk geweest in Tricht. Elke dag komen er wel weer nieuwe vaders en moeders met hun kinderen en hun paard of ezel voorbij. Lopend of in een bootje van bomen. Maar bijna niemand blijft. De meesten lopen door naar Brabant. Dagenlang onderweg om een veilige en goede plek te vinden en weer als boer te kunnen leven.

Soms schuilen ze in de ruimte boven de ingang van de kerktoren. Die is net afgebouwd voordat het hier zo nat werd. Allemaal hebben ze honger en zijn ze op zoek naar eten. Maar er is hier echt niets meer te halen. Voor hen niet en ook niet voor ons.

Sommigen worden heel kwaad en gaan vechten. Gisteren is er een vader van een ander gezin doodgegaan omdat hij met een stuk hout in elkaar is geslagen. Dat kan zo niet langer. We moeten hier weg. Morgenochtend alles maar weer op de kar maar welke kant op? Mijn man wil het liefst ook naar het zuiden. Wie weet.